In de Nederlandse grensregio’s is de werkloosheid groter dan in de rest van Nederland. Tegelijkertijd staan werkgevers in Duitsland en België te springen om werknemers, vooral in de sectoren techniek, bouw, metaal, logistiek en zorg. Er is aanbod en er is vraag, maar daar ligt wel een landsgrens tussen. Om die barrière te helpen slechten, is begin dit jaar het sectorplan Grenzenloos Werken gelanceerd. Concreet worden 800 mensen in de grensstreek naar werk over de grens begeleid. Daarnaast zijn de initiatiefnemers geïnteresseerd in ‘best practices’ die het sectorplan gaat opleveren. Goede voorbeelden in de praktijk helpen bij het in kaart brengen van wat nodig is om grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit eenvoudiger en vanzelfsprekender te maken.

Beleidsadviseur/bestuurder Arnoud Hoogsteen van FNV Vakcentrale Noord- en Oost-Nederland schetst de uitdagingen waar de Noord-Nederlandse grensstreek voor staat en de kansen die de nabijheid van Duitsland in dat kader met zich mee kan brengen.

IJle mbo-economie met veel kleine bedrijven

“Onze economie vraagt in toenemende mate om mobiliteit op de arbeidsmarkt en daarmee om een leven lang leren. In het Sociaal Akkoord hebben sociale partners dan ook afgesproken om de route van werk naar werk te versterken; niet meer wachten tot iemand werkloos geworden is, maar juist zorgen dat de WW-route overbodig wordt. Daar is bewust bedrijfsbeleid voor nodig. Alleen hebben we in het Noorden te maken met de situatie dat bijna 85 procent van de beroepsbevolking werkzaam is in het mkb en dat veel van die bedrijven niet meer dan vijf werknemers tellen. Voor hen is het lastig om met de uitdagingen van morgen om te gaan. Er zijn er maar weinig die nadenken over - laat staan: investeren in - duurzame ontwikkeling van hun bedrijf en hun werknemers. Kijk je naar het gemiddelde niveau van werknemers en werkgevers, dan hebben we hier bovendien te maken met een mbo-economie. Een gemiddeld lagere mobiliteit op de regionale arbeidsmarkt is daar inherent aan. In de grensstreek komt daar nog eens bij dat de straal waarbinnen mensen werken en zoeken naar werk nog steeds wordt afgekapt door de landsgrens. Gemeenten als Oldambt en Emmen hebben in oostelijke richting geen Nederlands achterland, terwijl er bij de Duitse oosterburen wel werk is. Daarom is het nodig dat sociale partners, overheden en instanties op regionaal niveau de krachten bundelen en op zoek gaan naar oplossingen.”

Crisismodus zet rem op economische versterking

“Een remmende werking op economische versterking gaat daarnaast uit van het feit dat veel managers nog in de crisismodus staan. Overigens niet alleen in het Noorden, maar in heel Nederland. De afgelopen jaren hebben managers gefocust op overleven door organisaties slanker en efficiënter te maken. Daarmee hebben zij de continuïteit op de korte termijn weliswaar veiliggesteld, maar voor de langere termijn voorzie ik een probleem. Met het wegsnijden van overhead en managementlagen hebben veel organisaties sterk aan toekomstgerichtheid en innovatievermogen ingeboet. Omdat veel managers pas in de crisisjaren aan het roer van de organisaties zijn gezet, zijn zij bovendien onbekend met wat in betere tijden de meerwaarde van het weggesneden ‘vet’ is geweest. Daarom zullen zij niet snel op het idee komen om dat weer op te bouwen. Terwijl de crisis aan het oplossen is, blijft de somberte overheersen. Managers lijken maar moeilijk van hun conservatieve koers af te brengen en zijn weinig opportunistisch, met onder andere als gevolg dat miljarden euro’s die voor economische versterking beschikbaar zijn, onaangeroerd blijven. Het is de hoogste tijd voor nieuw elan.”

Regionale economie heeft belang bij meer mobiliteit

“Zeker in economisch minder sterke regio’s is het belangrijk om te investeren in verbindingen en om in te zetten op verhoogde mobiliteit op de arbeidsmarkt. Het is zaak om vanuit een breder perspectief dan alleen arbeidsmarktvraagstukken naar de regionale economie te kijken. De regionale economie heeft er immers primair belang bij dat inwoners geld verdienen en uitgeven. Wat zij niet verdienen, gaat niet terug de economie in. Als dan aan deze kant van de grens geen werk te vinden is, maar wel aan de andere kant, dan moeten we bekijken hoe dat het best gefaciliteerd kan worden. Dat is de gedachte achter het sectorplan Grenzenloos Werken. Overigens wordt er al volop gependeld over de grens; dagelijks gaan duizenden Nederlanders naar hun werk in Duitsland of België. Toch hebben we bij de voorbereiding van het sectorplan een aantal knelpunten geconstateerd die aangepakt moeten worden. De rol die RBO binnen het sectorplan vervult als aanjager en verbinder is daarbij van groot belang om te achterhalen waar partijen tegenaan lopen en waar zij behoefte aan hebben.”

Knelpunten in kaart

“Werkgevers over de grens weten bijvoorbeeld niet waar Nederlandse diploma’s en certificaten onder hbo-niveau precies voor staan. Ons systeem voor waardering en benamingen van diploma’s is in de afgelopen decennia regelmatig veranderd en laat zich daarom lastig duiden. Er ligt dus een opgave om tot vergelijkbare omzettingen te komen. In de tweede plaats hebben we vastgesteld dat er in Nederland geen instanties meer zijn die zicht hebben op vraag en aanbod van vacatures in grotere gebieden. In Duitsland hebben ze dat beter voor elkaar. Als werkzoekende weet je sneller wat daar in een hele arbeidsmarktregio te vinden is en heb je meer kans om je positie te verbeteren.  Daar moeten we in Nederland ook weer naartoe. In de derde plaats blijkt dat het voor veel mensen onduidelijk is wat de praktische, financiële en fiscale consequenties van werken over de grens zijn. Men vangt allerlei geruchten op, onder andere over cultuurverschillen, lagere salarissen en een tragere AOW-opbouw, maar men beschikt over onvoldoende informatie om een gefundeerde afweging te kunnen maken. In Duitsland zijn veel toeslagen bijvoorbeeld hoger dan hier. Omdat het van de persoonlijke situatie van mensen afhangt hoe een baan over de grens precies uitpakt, is er behoefte aan voorlichting op maat. Dat kan in de vorm van spreekuren. Verder hebben we gemerkt dat gemeenten in de grensregio’s amper weten wat de consequenties zijn als zij mensen over de grens sturen. We zijn de nodige dubieuze detacheringsconstructies tegengekomen.”

Verschillen met buurlanden zijn beslist niet onoverbrugbaar

“Het is mooi dat we straks 800 mensen aan werk in Duitsland en België hebben geholpen, maar daarmee veranderen we de wereld natuurlijk niet. De kracht van dit sectorplan is juist dat we met wat extra geld ‘best practices’ ontwikkelen, waarmee we kunnen aantonen dat werken over de grens onder fatsoenlijke voorwaarden mogelijk is. Daarnaast moet dit sectorplan ertoe bijdragen dat werkzoekenden en instanties in grensregio’s beseffen dat de arbeidsmarkt aan de andere kant van de grens er ook bij hoort. Een feit is tenslotte dat veel werkgevers daar met moeilijk vervulbare vacatures kampen. Sectoren die hier nog niet zijn hersteld van de crisis, zijn daar alweer sterk aan het opleven. Door onze werkzoekenden in positie te brengen voor die banen, komt de WW er niet of niet meer aan te pas en kan worden gewaarborgd dat deze mensen hun vakmanschap op peil houden. Zodra er dichterbij huis dan weer werk is, hoeft er geen achterstand te worden weggewerkt. Elk land heeft zijn eigen wetten, regels en gewoonten waar het om arbeid gaat, maar tussen Nederland, Duitsland en België gaat het beslist niet om onoverbrugbare verschillen. We moeten gewoon wat minder hardnekkig vasthouden aan onze ideeën over wat goed is, maar juist beter ons best doen om verschillen te erkennen en ermee te werken.” 

Over het sectorplan Grenzenloos Werken

Het sectorplan Grenzenloos Werken is opgesteld door werkgevers- en werknemersorganisaties en de provincies Groningen, Drenthe, Limburg, Noord-Brabant en Zeeland. Ook UWV en VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) zijn partner in het sectorplan. Het plan heeft een looptijd van twee jaar en is in februari dit jaar gelanceerd. Er is ruim 9,7 miljoen euro voor dit plan beschikbaar, waarvan het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid  de ene helft en de sociale partners de andere helft bijdragen. FNV is hoofdaanvrager van het sectorplan.

800 mensen in de grensstreek worden vanuit werk, WW of bijstand begeleid naar hetzelfde of een ander beroep over de grens. Afhankelijk van de behoefte doorlopen zij een kort, middellang of intensief scholingstraject. Ook cursussen gericht op taal en werkcultuur behoren tot de mogelijkheden. Andere kosten hebben betrekking op internationale diplomawaardering, bemiddeling en begeleiding. Deelnemers die worden om- of bijgeschoold bij een Duitse of Belgische werkgever kunnen tijdens hun scholing gebruik maken van een brug-WW als zij een baangarantie voor een jaar krijgen.

Het plan draagt ertoe bij dat grensregio’s de banden met Duitsland en België aanhalen, zodat de regionale arbeidsmarkt een impuls krijgt. Arbeidskansen nemen toe zodra er niet in grenzen wordt gedacht.

Over de rol van RBO

Aan RBO is in het kader van het sectorplan Grenzenloos Werken een tweeledige opdracht verstrekt:

  1. Opzetten van een projectbureau ten behoeve van de administratieve uitvoering en het operationeel maken van de regelingen. Het projectbureau draagt zorg voor de algehele uitvoeringscoördinatie en projectorganisatie: afstemming, planning, voortgangsbewaking, rapportage, financiële afhandeling, monitoring, communicatie en fungeren als vraagbaak voor bedrijven en instellingen.
  2. Aanjager c.q. verbindingsofficier: contacten leggen en onderhouden met externe partijen, zoals werkgevers en scholingsaanbieders, spin-in-‘t-web tussen operationele teams in de regio’s en tussen regio’s onderling, uitwisseling van kennis en ervaring, meehelpen bij het signaleren en oplossen van knelpunten.
Over Arnoud Hoogsteen

Arnoud Hoogsteen is sinds 2009 beleidsadviseur lokaal beleid, tevens bestuurder van FNV in de regio Noord- en Oost-Nederland. Ook is hij lid van de Sociaal Economische Raad van Noord-Nederland. Daarvoor was hij werkzaam bij de gemeenten Dordrecht, Groningen en Winsum.

Tekst: Touché concept & copy
Fotografie: Jan Buwalda